
DE NAARSTIGHEID
Des morgens lang te slapen,
Te geeuwen en te gapen,
Staat lelijk voor een kind.
Die altoos veel moet snappen,
En zotte taal wil klappen,
Ziet zelden zig bemind.
Zou ik mijn tijd besteden
Aan duizend nietigheden?
'k Heb daar geen voordeel van.
Mijn lessen wil ik leeren,
Mijn meesters zal ik eeren,
Dan worde ik haast een man.
Hieronymus van Alphen (1746-1803) was achtereenvolgens advocaat, procureur-generaal in Utrecht en thesaurier-generaal van de Republiek, wat te vergelijken is met een minister van financiën. Hij trouwde met Johanna Maria van Goens, die drie jaar later, bij de geboorte van hun derde kind, overleed. Met zijn tweede vrouw kreeg hij ook nog twee kinderen.
Van Alphen schreef vooral vrome poëzie voor volwassenen en kunsttheoretische en religieuze beschouwingen. Voor zijn kinderen schreef hij drie dichtbundels en gaf ze eerst anoniem uit. Maar deze bundels werden een groot succes en meerdere malen herdrukt. Ook werden de bundels in andere talen uitgegeven zoals het Frans, Duits en Engels.
Van Alphen had een, voor die tijd, moderne visie op het kind. De meeste mensen zagen het kindbeeld van voor 'de Verlichting' nog: Het kind is al zondig bij de geboorte en de mens neigt naar het kwade en is afhankelijk van God en de kroon. In de periode van 'de Verlichting' veranderde dit beeld. De ratio(verstand,rede) nam een toevlucht, de wetenschap had zich sterk ontwikkeld, er was geloof in een maakbare samenleving. Beschouw de kinderen niet meer als kleine volwassenen. Voed de kinderen goed op en ze doen het goede, wat weer resulteert in goede mensen en dus uiteindelijk een goede samenleving. In de gedichten liet Van Alphen zien dat hij het kind als een tabula rasa (=onbeschreven blad) zag, dat deugden als gehoorzaamheid, bescheidenheid en eerbied voor de ouders en voor God aangeleerd kon worden. Zijn gedichten waren door hun eenvoudige en strakke rijmschema’s makkelijk uit het hoofd te leren.
Van Alphen schreef vooral vrome poëzie voor volwassenen en kunsttheoretische en religieuze beschouwingen. Voor zijn kinderen schreef hij drie dichtbundels en gaf ze eerst anoniem uit. Maar deze bundels werden een groot succes en meerdere malen herdrukt. Ook werden de bundels in andere talen uitgegeven zoals het Frans, Duits en Engels.
Van Alphen had een, voor die tijd, moderne visie op het kind. De meeste mensen zagen het kindbeeld van voor 'de Verlichting' nog: Het kind is al zondig bij de geboorte en de mens neigt naar het kwade en is afhankelijk van God en de kroon. In de periode van 'de Verlichting' veranderde dit beeld. De ratio(verstand,rede) nam een toevlucht, de wetenschap had zich sterk ontwikkeld, er was geloof in een maakbare samenleving. Beschouw de kinderen niet meer als kleine volwassenen. Voed de kinderen goed op en ze doen het goede, wat weer resulteert in goede mensen en dus uiteindelijk een goede samenleving. In de gedichten liet Van Alphen zien dat hij het kind als een tabula rasa (=onbeschreven blad) zag, dat deugden als gehoorzaamheid, bescheidenheid en eerbied voor de ouders en voor God aangeleerd kon worden. Zijn gedichten waren door hun eenvoudige en strakke rijmschema’s makkelijk uit het hoofd te leren.
DE PRUIMEBOOM
EENE VERTELLING
Jantje zag eens pruimen hangen,
o! als eieren zo groot.
't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
schoon zijn vader 't hem verbood.
Hier is, zei hij, noch mijn vader,
noch de tuinman, die het ziet:
Aan een boom, zo vol geladen,
mist men vijf zes pruimen niet.
Maar ik wil gehoorzaam wezen,
en niet plukken: ik loop heen.
Zou ik, om een hand vol pruimen,
ongehoorzaam wezen? Neen.
Voord ging Jantje: maar zijn vader,
die hem stil beluisterd had,
Kwam hem in het loopen tegen
voor aan op het middenpad.
Kom mijn Jantje, zei de vader,
kom mijn kleine hartedief!
Nu zal ik u pruimen plukken;
nu heeft vader Jantje lief.
Daar op ging Papa aan 't schudden,
Jantje raapte schielijk op;
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
en liep heen op een galop.
o! als eieren zo groot.
't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
schoon zijn vader 't hem verbood.
Hier is, zei hij, noch mijn vader,
noch de tuinman, die het ziet:
Aan een boom, zo vol geladen,
mist men vijf zes pruimen niet.
Maar ik wil gehoorzaam wezen,
en niet plukken: ik loop heen.
Zou ik, om een hand vol pruimen,
ongehoorzaam wezen? Neen.
Voord ging Jantje: maar zijn vader,
die hem stil beluisterd had,
Kwam hem in het loopen tegen
voor aan op het middenpad.
Kom mijn Jantje, zei de vader,
kom mijn kleine hartedief!
Nu zal ik u pruimen plukken;
nu heeft vader Jantje lief.
Daar op ging Papa aan 't schudden,
Jantje raapte schielijk op;
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
en liep heen op een galop.






0 comments:
Post a Comment